Papendrecht wordt voor het eerst genoemd in een document uit 1105. Na 1277, toen een dijk werd aangelegd rondom de waard, ontstond een dorp.
Tot ongeveer 400 jaar voor Christus was het gebied vooral moerassig en onbewoonbaar, later bevolkten met enige regelmaat kleine groepen de hoger gelegen zandruggen en terpen.
Rond het jaar 1000 kreeg het gebied permanente bewoners. De nederzetting was vanuit Dordrecht de toegangspoort tot de Alblasserwaard. Rooms-Katholieken - Papen - staken de rivier over op een doorwaadbare plek ('tricht' of 'drecht'), vandaar de naam Papendrecht. In 1277 werden de achterliggende gebieden drooggelegd met behulp van windmolens. Deze bepaalden de aanblik van het dorp en zijn opgenomen in het wapen van Papendrecht.
Middelen van bestaan
Bewoners leefden voornamelijk van visserij, teelt van riet en rijshout, landbouw, veeteelt en dijkwerk. Sommige Papendrechters verdienden bij met de teelt van erwten, wat de inwoners van de gemeente de bijnaam 'Ertepellers' opleverde.In 1816 kwam er een eind aan de macht van de 'vrijheren' en werd Papendrecht een gemeente met burgemeester en wethouders. Het dorp telde toen zo'n duizend zielen.





